• Jenni

Waarom het moederschap geen evidentie is (1).

Toen ik aan het nadenken was over deze meireeks rond het moederschap, had ik eerst een andere titel in gedachten: ‘moederliefde is geen evidentie.’ Het was duidelijk dat ik, allicht voor het eerst, iets meer wilde schrijven over de relatie die ik had met mijn mama. En het is die zin, die éne zin, die heel lang onze relatie gedefinieerd heeft. Want hoewel ik ervan overtuigd ben dat moederliefde iets biologisch is, iets dat onszelf overstijgt en vaak van bij het eerste ontluiken van dat nieuw leven aanwezig is, twijfelde ik heel lang of dat bij ons wel zo was. Wat meteen ook de reden was waarom ik heel lang zelf geen mama wilde worden – maar dat is voer voor het tweede deel.


Een van de vroegste herinneringen die ik heb als kind, is dat ik me onveilig voelde bij haar. Ik was bang om bij haar te zijn, alleen. Omdat ze zo onvoorspelbaar was. Het ene moment voelde ik me het geliefde kind, het andere moment alles wat ze niet wilde dat ik was. Ik stelde teleur, al wist ik niet altijd waarom. Op die momenten sloeg de hemel over in de hel. Wilde ik niet groter zijn dan een kruimel. Het was mijn papa die me toen bij de hand nam en me naar buiten leidde, terug de normaliteit in. Waar spullen niet in het rond vliegen. Waar woorden het hart niet in twee splijten.


Wat ouder geworden kreeg ik meer inzicht. Inzicht in wat dat andere, dat onder haar huid zat, wakker maakte. Zo werd ik behendig in het ontlopen van alles wat die overgang zou veroorzaken. Probeerde op alle mogelijke manieren haar te pleasen – al mislukte ik daar vaak schromelijk in. Ik wás ook gewoon alles wat niet voldeed aan haar ideaalbeeld – het eerste wat ik deed toen ik 12 werd was mijn lange manen afknippen. Ballet was niets voor mij, maar wel voetballen, belletje trek spelen en buiten de lijnen kleuren.


Ik leerde beter incasseren. Omdat ik ondertussen wist dat zij het niet écht was. Ik moest gewoon wachten tot de storm ging liggen. Als tiener betekende dat: deur op slot, muziek volle bak en weerwerk bieden. Na de angst kwam ook de woede: het kletste geregeld hard, zeer hard bij ons thuis. Vloeken, roepen en tieren. Deuren werden dichtgeslagen, spullen op grond gegooid. We riepen dingen die we niet meenden maar hard binnenkwamen. Speelden het spelletje ‘wie kwetst het hard’. Rad van tong waren we allebei.


Na de storm keerde altijd weer de rust terug, en de verbinding. En op die momenten was zij gek genoeg de persoon met wie ik het meest connectie voelde. Nooit lachte zij mijn weke tieneremoties weg. Bij liefdesverdriet mocht ik uren bij haar in bed uithuilen – nooit werd ik weggestuurd. We konden uren praten over politiek, literatuur en filosofie. Ze was op dat moment beslist één van de intelligentste personen die ik kende. Ik heb zo veel van haar geleerd.


Met de scheiding van mijn papa braken onze mooiste jaren aan als moeder en dochter. Het gaf haar zo veel rust dat haar ‘andere ik’ voorgoed verdween. Onze fietstochtjes door Brussel, haar bezoekjes in Leuven waar ik op kot zat: die koester ik. Eindelijk voelde ik me veilig bij haar.


Het was echter het laatste hoogtepunt voor het verval. Letterlijk en figuurlijk. Op het moment dat ik navelstreng volledig doorknipte door te trouwen en aan mijn eigen verhaal te beginnen, zonk zij weg in een diepe depressie. Dagenlang lag ze in bed. Ze vermagerde zienderogen. Het vuur had plaatsgemaakt voor de grote leegte. Jarenlang probeerden mijn zus en ik te doen waar we nog nooit in geslaagd waren: haar psychologisch te laten begeleiden. Maar ze was alle geloof kwijt. In de wereld, het leven en vooral in zichzelf.


Ze voelde zich overbodig. En toen besefte ik voor het eerst dat zij mij misschien al die tijd harder nodig had gehad dan ik haar.


Het was altijd al zo geweest. Maar ik kon niet meer geven. In alle eerlijkheid: ik heb daar de band voor een stuk doorgeknipt. Om zelf moeder te worden, om daarin alles te kunnen geven, moest ik de zorg om haar achterlaten. En niet enkel daarvoor: ook om mezelf terug te vinden.


Onze laatste ruzie zal ik nooit vergeten. Het was op een van die druilerige februaridagen in 2018. In die maand waarop mijn leven stilstond. Die ochtend deelde ze me mee dat ze haar afspraak bij de oncoloog had geannuleerd. Enkele maanden eerder had ze vernomen dat ze kanker had. Het viel te genezen, maar voor haar was het klaar. Niks doen en ‘on verra’, wat zowat haar slagzin was geweest haar hele leven lang.


Het feit dat ze niet voor ons wilde vechten was een slag in mijn gezicht. De ultieme afwijzing als kind. Het voelde aan alsof wij het niet waard waren te willen genezen. Door te willen gaan.


Ze kwam op de palliatieve afdeling terecht. De slotetappe werd ingezet. Dat wisten we allebei. Soms liepen we met een grote boog om de pijnlijke vanzelfsprekendheid heen die ons stond te wachten. En soms waren er momenten dat we elkaar recht in de ogen keken en die dingen zeiden die altijd ongezegd gebleven waren. Die momenten zijn gebeiteld in mijn herinnering. Hard, maar troostend.


Haar laatste dagen stonden we met twee rond haar sterfbed – enkel de wederhelft en ik. Het was daar dat ze, met haar allerlaatste krachten, haar arm ophief en ons bedankte. Een woord waarin alle kracht, dankbaarheid en liefde gebundeld was.


En daar wist ik het – voelde ik hetgeen wat al mijn leven tot dan had aangevoeld als het ontbrekende puzzelstuk. Dat het moederschap geen evidentie was geweest voor haar. Maar moederliefde wel.




#moederschap #taboeloos #verhalenvertellen

516 keer bekeken

JOIN MY MAILING LIST

© 2018 by Madame Octopus. Proudly created with Wix.com

  • Black Facebook Icon
  • Black Instagram Icon